Waarderingsgrondslagen
De kaders van de waarderingsgrondslagen zijn bepaald in de Gemeentewet, het Besluit Begroting en Verantwoording voor provincies en gemeenten (BBV), Verordening financieel beheer en beleid Den Haag 2026 en de daarop gebaseerde, door de gemeenteraad vastgestelde beleidsnota’s.
Waarderingsgrondslagen voor activa en passiva
Vaste Activa
Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. In erfpacht uitgegeven gronden zijn gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs. In dit geval is de uitgifteprijs van eerste uitgifte gedefinieerd als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht zijn gewaardeerd tegen registratiewaarde.
De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak die aan de vervaardiging van het actief worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat deze kosten worden geactiveerd.
De ontvangen investeringsbijdragen van derden zijn in één keer in mindering gebracht op de activering.
De Centrale Vastgoedorganisatie Den Haag (CVDH) beheert het gemeentelijk vastgoed. Voor de waardering van het gemeentelijk vastgoed wordt jaarlijks de waarde van het vastgoed onderzocht. Op basis van deze analyse kan een extra afwaardering plaatsvinden. Voor de aankoop, bouw, functiewijzigingen en verkoop van vastgoed is de richtlijn Om- en herlabeling gemeentelijk vastgoed van toepassing.
Als de boekwaarde van een vastgoedobject, dat onder de labels commercieel vastgoed, bijzonder vastgoed en ontwikkelingsvastgoed valt, duurzaam onder de marktwaarde ligt, wordt het vastgoedobject afgewaardeerd naar de lagere marktwaarde. Een afwaardering wordt verwerkt als het verschil tussen marktwaarde en boekwaarde 10 procent van de boekwaarde betreft en groter is dan € 100.000. Als het verschil kleiner is, wordt de afwaardering niet doorgevoerd, tenzij er een voornemen tot verkoop bestaat. In dat geval geldt altijd de lagere marktwaarde zonder toepassing van de norm voor afwijking van 10% en € 100.000.
Bij een duurzame waardevermindering als gevolg van verandering van de bestemming van het actief, zijn de desbetreffende materiële vaste activa tegen de lagere waarde gewaardeerd.
Afwaardering als gevolg van een duurzame waardevermindering is niet aan de orde bij vastgoed met een maatschappelijke functie. Hierbij is verondersteld dat de structurele dekking van de exploitatie van het vastgoed met een maatschappelijke functie in de (meerjaren)begroting is voorzien.
Vastgoed waarvoor per balansdatum een stellig voornemen tot verkoop bestaat, wordt gewaardeerd tegen de boekwaarde of als de verwachte verkoopprijs (marktwaarde) lager ligt tegen deze lager marktwaarde, ongeacht het label waartoe het behoort en ongeacht de omvang van de afwaardering. Afwaarderingen van vastgoed waarvoor een stellig voornemen tot verkoop bestaat zijn ten laste van het concernresultaat gebracht, uitgezonderd omvangrijke vastgoedtransacties als gevolg van een beleidswijziging.
Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buiten gebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde. Vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, verminderd met de afschrijvingen en waardeverminderingen die naar verwachting duurzaam zijn, en bijdragen van derden die in directe relatie staan tot het actief.
In het geval er sprake is van een duurzame waardevermindering bij vaste activa moet deze onafhankelijk van het resultaat in het boekjaar verwerkt worden. Dit gebeurt met een directe afboeking van het actief.
Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld, moet op dat moment worden afgewaardeerd als de restwaarde lager is dan de op dat moment aanwezige boekwaarde.
Immateriële vaste activa
De immateriële vaste activa (IVA) worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs c.q. vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingen en waardeverminderingen die naar verwachting duurzaam zijn. Eventuele van derden specifieke investeringsbijdragen worden in mindering gebracht op het geactiveerde bedrag. De IVA betreffen voornamelijk voorbereidingskosten.
Niet alle voorbereidingskosten worden beschouwd als immateriële vaste activa. Voorbereidingskosten met een hoge mate van zekerheid van totstandkoming activum, bijvoorbeeld de vervanging van bestaand activum (niet zijnde Onderzoek en Ontwikkeling), blijven onder de materiële vaste activa (MVA) gepresenteerd op de balans.
Bij ‘speciale projecten’, zoals volledig nieuw activum, met hogere mate van onzekerheid omtrent haalbaar- en uitvoerbaarheid past de categorisering immateriële vaste activa (art 60 BBV). Na bestuurlijk uitvoeringsbesluit wordt immateriële vaste activa overgezet naar materiële vaste activa. Bij investeringsprojecten die niet leiden tot een activum worden de volledige kosten in de exploitatie geboekt.
Aan het activeren van kosten van onderzoek en ontwikkelingen zijn voorwaarden verbonden. Voor de voorbereidingskosten voor toekomstige grondexploitaties geldt dat er een bestuurlijk- en raadsbesluit is over het project inclusief een financiële haalbaarheidsanalyse, een risicoanalyse en moet er een concrete en realistische dekkingsbron zijn.
Bij actief grondbeleid moet aannemelijk zijn dat het project binnen 2 jaar operationeel wordt verklaard. Bij faciliterend grondbeleid moet met grote zekerheid aannemelijk worden gemaakt dat binnen 4 jaar de exploitatiebijdrage wordt voldaan, bij de vergunningaanvraag of via een anterieure overeenkomst.
De voorbereidingskosten moeten passen binnen de kostensoortenlijst BRO (Besluit ruimtelijke ordening).
Op kosten van onderzoek en ontwikkeling van voorgenomen grondexploitaties wordt niet afgeschreven.
- Kosten van onderzoek en ontwikkeling worden geactiveerd als deze bijdragen aan de totstandkoming van een vast actief. De kosten moeten aan een aantal voorwaarden voldoen:
- Het voornemen bestaat om het actief te gebruiken of te verkopen;
- De technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat;
- Het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren; en
- De uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.
Als aan deze voorwaarden voldaan wordt, worden de kosten voor onderzoek en ontwikkeling (dit zijn ‘niet tastbare’ duurzame bezittingen, zoals licenties). geactiveerd onder immateriële vaste activa.
- Voorbereidingskosten die rechtstreeks aan de vervaardiging van het actief kunnen worden toegerekend, worden geactiveerd als onderdeel van de vervaardigingsprijs.
- Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden niet geactiveerd maar direct ten laste van de exploitatie gebracht.
Investeringen met economisch nut en investeringen met economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven
Voor investeringen met economisch nut is de activeringsgrens vastgesteld op € 50.000, tenzij het gaat om kapitaalgoederen met een economisch nut die betrekking hebben op vastgoed of sportaccommodaties, dan is de grens € 150.000. Bij deze grensbedragen wordt uitgegaan van het begrote bedrag.
De in erfpacht uitgegeven gronden zijn gewaardeerd tegen de waarde bij eerste uitgifte. Als sprake is van transformatie van al in erfpacht uitgegeven gronden in een grondproductieproces, dan leidt de herziening van die bestaande erfpachtrechten tot een (her)nieuw(d)e gronduitgifte. In zo’n transformatieproces wijzigt daardoor de grondwaarde. Grond waarvoor de erfpacht eeuwigdurend is afgekocht, wordt tegen een symbolische registratiewaarde gewaardeerd.
Investeringen in riolering worden verantwoord onder de materiële vaste activa met economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven.
Materiële vaste activa in de openbare ruimte met maatschappelijk nut
Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut worden net als investeringen in economisch nut gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Investeringen met een maatschappelijk nut met een begroot investeringsbedrag van € 2.500.000 en lager worden niet geactiveerd, maar worden in één keer rechtstreeks ten laste van de exploitatierekening gebracht.
De grensbedragen voor activeren zijn verschillend voor de verschillende type investeringen. Investeringen met maatschappelijk nut hebben vaak een hogere waarde dan investeringen met economisch nut. Vergelijk bijvoorbeeld de aanleg van een brug met het aanschaffen van laptops voor de gemeente. Daarom is ook het grensbedrag hoger.
De hierboven genoemde activeringsgrens is niet van toepassing op uitgaven in de openbare ruimte die aan een grondexploitatie toegerekend worden. Deze lasten worden conform de spelregels voor grondexploitaties direct ten laste van de grondexploitatie gebracht en worden niet geactiveerd.
Afschrijvingen
Investeringen worden afgeschreven op basis van de verwachte gebruiksduur.
Op grond van het voorzichtigheidsbeginsel wordt in Den Haag geen rekening gehouden met een restwaarde. Dit uitgangspunt wordt gehanteerd vanwege de grote mate van onzekerheid over de ontwikkelingen rond de toekomstige gebruiksduur en het bepalen van de (mogelijke) restwaarde.
De gemeente Den Haag werkt met de lineaire afschrijvingsmethode. Dit houdt in dat we de aanschafwaarde gedurende de levensduur gelijkmatig afschrijven. Dit zorgt voor een gelijkmatige en voorspelbare afschrijving over de levensduur van het actief. Deze methode heeft als voordeel dat het eenvoudig, transparant en consistent is. waarbij geen rekening wordt gehouden met een eventuele restwaarde. De afschrijving gebeurt op lineaire basis. De afschrijving start met ingang van het begrotingsjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereedkomt of wordt verworven. De afschrijvingstermijn per activumsoort is opgenomen in de Kadernota investeringen 2026 (RIS323964).
Financiële vaste activa
Kapitaalverstrekkingen
Kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen en overige verbonden partijen zijn tegen verkrijgingsprijs gewaardeerd. Ingeval van duurzame waardevermindering worden deelnemingen gewaardeerd tegen lagere marktwaarde. Als de deelneming wordt afgestoten wordt de actuele waarde in de toelichting vermeld.
Vlottende activa
Voorraden
De grond- en hulpstoffen zijn gewaardeerd tegen standaard verrekenprijzen, gebaseerd op de betaalde inkoopprijs. Waarderingsverschillen tussen standaard verrekenprijs en betaalde inkoopprijs worden als resultaat verantwoord. Gerede producten worden gewaardeerd tegen de kostprijs of tegen de marktwaarde indien de marktwaarde lager is dan de kostprijs. Dat laatste doet zich vooral voor indien de voorraden incourant worden. De kostprijs bestaat uit de verrekenprijzen van grond- en hulpstoffen en de loon- en machinekosten die aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend.
Onderhanden werk, gronden in grondexploitaties
De als onderhanden werken opgenomen bouwgronden in exploitatie zijn gewaardeerd tegen de vervaardigingsprijs dan wel lagere marktwaarde. De vervaardigingsprijs omvat de kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend (zoals grondaankopen en kosten van bouw- en woonrijp maken), en ook de rentekosten en de administratie- en beheerkosten.
Positieve uitkomsten bij het afsluiten van grondexploitaties worden niet rechtstreeks gedoteerd aan de reserve grondbedrijf. Deze worden opgenomen in het resultaat en met de resultaatbestemming toegevoegd aan de reserve grondbedrijf. Voor tussentijdse winstneming geldt de door het BBV voorgeschreven percentage of completion methode: voor zover gronden zijn verkocht en opbrengsten zijn gerealiseerd kan tussentijds naar rato van de voortgang van de grondexploitatie winst worden genomen. Tussentijdse winstneming vindt plaats via een collegebesluit (cf. verordening grondexploitaties).
Het geprognosticeerde ‘plansaldo’ is het verwachte resultaat op een plan. Ter dekking van verwachte negatieve saldi op operationele plannen is de voorziening negatieve plannen gevormd. Deze voorziening wordt gepresenteerd als correctiepost op het saldo van het onderhanden werk. Indien de voorziening de boekwaarde overstijgt wordt de resterende voorziening aan de creditzijde van de balans (onder de post Voorzieningen) gepresenteerd.
Uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan één jaar
De Uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan één jaar worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Eventuele voorzieningen wegens oninbaarheid worden jaarlijks met de boekwaarde van vorderingen verrekend.
Liquide middelen en Overlopende activa
Deze activa worden tegen nominale waarde opgenomen.
Vaste Passiva
Passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, met uitzondering van voorzieningen die tegen contante waarde zijn gewaardeerd.
Eigen vermogen
Het eigen vermogen bestaat uit de algemene reserve, de bestemmingsreserves en het gerealiseerde resultaat. Tot de algemene reserve worden gerekend de centrale bedrijfsvoeringreserve, de programmareserves en de gemeentebrede reserve exploitatieresultaten.
Na afloop van de looptijd valt een reserve vrij. Reserves, waarvan het doel is gerealiseerd en middelen resteren, vallen vrij, ook als de looptijd van de reserve nog niet is verstreken. Dit geldt ook voor reserves waarbij vaststaat dat het doel niet gerealiseerd kan worden.
Voorzieningen
De voorzieningen zijn gevormd voor verplichtingen, verwachte verliezen of risico’s, waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten op de balansdatum. Verder worden de van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden opgenomen onder de voorzieningen. Uitzonderingen hierop vormen de van Europese en Nederlandse overheidslichamen verkregen middelen, die onder de balansposten overlopende passiva Europese overheidslichamen, Het Rijk of overige Nederlandse overheidslichamen worden verantwoord. De voorzieningen zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde van betrokken verplichting c.q. het voorzienbare verlies. Uitzonderingen hierop zijn de pensioenverplichting ten behoeve van de wethouders van de (al opgebouwde) toekomstige uitkeringsverplichtingen en de voorziening negatieve plannen bij de grondexploitatie. Deze zijn gewaardeerd tegen de contante waarde.
Vaste schulden met een rentetypische looptijd van 1 jaar of langer
Vaste schulden worden gewaardeerd tegen nominale waarde, verminderd met gedane aflossingen.
Vlottende Passiva
Vaste schulden worden gewaardeerd tegen nominale waarde, verminderd met gedane aflossingen. Een uitzondering hierop betreft een rentedragende langlopende schuld (rentebijschrijving voor het eerst achteraf in 2017) aan de Ontwikkelingscombinatie Wateringseveld (OCWV) in verband met in het jaar 2016 uitgestelde betaling voor de verworven grond (Celeritas) en uit te voeren toekomstige grondruil van de gemeente aan OCWV. De vaste schulden hebben een rentetypische looptijd van één jaar of langer.
De vooruit ontvangen canons zijn tegen contante waarde berekend. Bij de contant making van de (resterende) canonverplichting tot aan het einde tijdvak of contract is het dan geldend canonpercentage gehanteerd. De jaarlijks toe te voegen rente wordt ten laste van het resultaat gebracht en de in het verslagjaar vervallen canontermijnen zijn ten gunste van het resultaat gebracht.
Posten Buiten de balanstelling
Borgstellingen en garantstellingen
Voor zover leningen door de gemeente gewaarborgd zijn, is buiten de telling het totaalbedrag van de geborgde schuldrestanten per einde boekjaar opgenomen.
Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen
Alle niet uit de balans blijkende rechten en verplichtingen zijn gewaardeerd tegen nominale waarde.
Derivaten
De derivaten zijn gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs. De derivaten zijn verantwoord als niet uit de balans blijkende verplichting, waar ook de nominale waarde van deze derivaten is vermeld. De derivaten hebben geen speculatief karakter en zijn uitsluitend gericht op het afdekken van toekomstige renterisico’s en ondersteunen het financieringsbeleid. Daarmee voldoen de derivaten aan de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo), onderdeel van Wet fido.
Bijstortverplichting Collateral Derivaten contracten
De bijstortverplichting Collateral Derivaten worden onder de balanspost “Overige uitzettingen” opgenomen voor het verschil tussen de nominale waarde en de marktwaarde van de afgesloten derivaten contracten per ultimo december van het boekjaar. De storting heeft het karakter van een waarborgsom waarvan de hoogte maandelijks fluctueert. De derivaten worden gewaardeerd op basis van Mark To Market-value (MTM-value) door de BNG Bank. Dat betekent dat de waarde van een financieel contract wordt bepaald op basis van de prijs waarvoor je het vandaag in de markt zou kunnen verhandelen.
Grondslagen van resultaatbepaling
De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben (stelsel van baten en lasten). Lasten worden direct opgenomen zodra deze zich voordoen. Baten en winsten worden slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden. Op basis van actuele kostprijsberekeningen wordt bij verlieslatende complexen de hoogte van de te nemen voorziening bepaald.
Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Omdat geen voorzieningen c.q. schulden uit hoofde van jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume mogen worden opgenomen, worden sommige personeelslasten echter toegerekend aan de periode waarin de uitbetaling plaatsvindt; daarbij moet worden gedacht aan componenten zoals ziektekostenpremie voor gepensioneerden, overlopende vakantiegeld- en verlofaanspraken en dergelijke.
Voor arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van een jaarlijks vergelijkbaar volume wordt geen voorziening getroffen of op andere wijze een verplichting opgenomen. De referentieperiode is dezelfde als die van de meerjarenraming te weten vier jaar. Indien er sprake is van (eenmalige) schokeffecten wordt wel een verplichting gevormd.
Opbrengsten worden genomen zodra ze gerealiseerd zijn. De positieve resultaten op grondexploitaties worden pas bij het sluiten van grondexploitaties aan het resultaat toegevoegd. Dividendopbrengsten van deelnemingen worden als baten genomen op het moment waarop het dividend betaalbaar wordt gesteld.
Grondslagen voor de Rechtmatigheidsverantwoording
De in de jaarrekening opgenomen rechtmatigheidsverantwoording is opgesteld op basis van de kaders zoals besloten in de financiële verordening en op basis van de kadernota rechtmatigheid. Dit betekent dat:
- De rechtmatigheidsverantwoording toeziet op de financiële rechtmatigheid van baten, lasten, balansmutaties, alsmede de baten en lasten inzake de specifieke uitkeringen op grond van art. 17 Financiële-verhoudingswet;
- De financiële rechtmatigheid waaronder het voorwaardencriterium, het begrotingscriterium en het misbruik en oneigenlijk gebruik criterium;
- Voor het voorwaardencriterium is het normenkader 2025 op 12 november 2025 door de raad vastgesteld;
- Voor het begrotingscriterium bestaat de norm uit de financiële verordening, de kadernota rechtmatigheid 2025 en het besluit begroting en verantwoording. Overschrijding van lasten is in principe onrechtmatig, maar kan als acceptabel worden aangemerkt wanneer de geconstateerde overschrijding binnen de afspraken zoals vastgelegd in artikel 5:15 lid 7 van de Verordening financieel beheer en beleid Den Haag 2026. Voor over- en onderscheidingen van baten en onderschrijdingen van lasten geldt dat deze, mits gemeld in de programmarekening, rechtmatig zijn;
- Voor het misbruik en oneigenlijk gebruik criterium geldt het vastgestelde beleid per proces. Omdat alleen bij misbruik sprake is van een onrechtmatigheid, zijn alleen die opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording.
De rechtmatigheidsverantwoording is opgesteld binnen de kaders van de Kadernota Rechtmatigheid 2025 van de commissie BBV alsmede Verordening financieel beheer en beleid Den Haag 2026. Dit betekent dat:
- Een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten exclusief dotaties aan reserves is gehanteerd waarboven cumulatieve fouten en onduidelijkheden in de rechtmatigheidsverantwoording worden opgenomen;
- Een rapportagegrens van 1,5 % van de verantwoordingsgrens is gehanteerd waarboven individuele fouten en onduidelijkheden in de paragraaf bedrijfsvoering worden toegelicht.
